Oorsprong en geschiedenis

Vanaf de neolithische revolutie (10.000 v. Chr.) werden voor het eerst granen gekweekt en verbouwd en dieren getemd en geteeld. De oorsprong hiervan ligt in het tegenwoordige Irak, Syrië en Koeweit, het huidige Midden-Oosten.

Naast de puur materialistische- en praktische waarden van het schaap heeft deze ook een belangrijke rol gespeeld in de religieuze wereld van de mens. Joden en Moslims mogen geen varkensvlees eten maar wel vlees van schaap, geit en rund. In de bijbel staat het schaap vaak centraal bij offerfeesten en belangrijke Bijbelse gebeurtenissen. Ook in de Griekse mythologie komt het schaap voor bijvoorbeeld in het verhaal van Prixus en Hellas, deze twee koningskinderen werden samen met hun moeder verstoten door koning Athamas van Thesallié. Hermes probeerde de kinderen te redden en schonk hun een ram van goddelijke afkomst die over de wolken kon lopen en een vacht van goud had. De ram zou de kinderen naar Colchis rijden, maar onderweg stortte Hellas in de diepe zee. Sindsdien draagt die zee de naam Hellespont. Prixus bereikte Kolchis en de ram werd als dank aan de goden geofferd. De vacht, het zogenaamde ‘Gulden vlies’ werd door een reusachtige draak bewaakt.

Schaapskuddes in Nederland

In de periode van de neolithische revolutie werden ook het schaap en de geit gedomesticeerd. 5000 jaar later, omstreeks 5300 v. Chr., trokken de eerste landbouwers ook naar de lage landen op de vruchtbare Limburgse lössgronden waarna landbouw en veeteelt zich langzaam over het huidige Nederland verspreidde.

Cultuurdragers

Schapen waren vooral belangrijk voor de wol-, melk- en vleesproductie, maar later ook voor het in stand houden van een gecultiveerd landschap zoals het heidelandschap. Vroeger waren er veel schaapskuddes en schaapskooien. Vaak ging één herder met de schapen van diverse eigenaren op stap. Iedere eigenaar had zijn schaap voorzien van een kenmerk, dit systeem wordt nu nog steeds in de Alpen gehanteerd. De mest die in schaapskooien werd verzameld, was van groot belang voor de landbouw. Schapenmest bleek uiterst geschikt voor het vruchtbaar maken van landbouwgronden. De mest werd in potstallen verzameld op een met heideplaggen bedekte bodem. Deze dikke mestkoek werd na verloop van tijd los gestoken en op de bouwgrond aangebracht. Het bouwland werd verrijkt met humus en mest. Zo ontstond eigenlijk het specifieke Heideschaap die zijn functie vervulde op de arme pleistocene zandgronden.

Na verloop van tijd is het schaap uit het Nederlandse Heidelandschap verdwenen met de intrede van de zogenaamde kunstmest. Hierdoor verloor het schaap zijn specifieke functie in de landbouw. Het zogenaamde weideschaap werd vooral voor zijn wol en vlees gehouden op de rijke kleigronden in rivier- en kustgebieden.